Menu Menu Menu

Maak afspraak

Rhinopneumonie (Equine Herpesvirus 1,4)

Rhinopneumonie is een herpes-virus. Herpes virus type 1 en 4 spelen hier een belangrijke rol. Er zijn 3 verschillende verschijningsvormen van Rhinopneumonie: de verkoudheidsvorm, de abortusvorm en de neurologische vorm.

De luchtwegvorm (verkoudheidsvorm) gaat gepaard met in het algemeen milde verkoudheidsverschijnselen en wordt doorgaans veroorzaakt door EHV-4. Bij infecties kunnen dieren ook verkouden worden, maar aansluitend kan het geïnfecteerde paard ook drager blijven. Ernstiger ziekteverschijnselen treden bij EHV-1 op na uitbundige virusvermeerdering in het paard (een zogenaamde viremie), deze viremie kan abortus (abortus-vorm) of neurologische verschijnselen (hoofdzakelijk verlammingen) veroorzaken. Deze verschijnselen kunnen ontstaan door een primaire infectie of door reactivatie van virus in een paard, dat drager is van het virus.

Vaccineren

Vaccinatie vermindert de viremie en zorgt ervoor dat de ziekte minder heftig of niet optreedt! Er bestaat geen 100% bescherming, maar de kans op een infectie wordt aanzienlijk verkleind en daarnaast is er een veel geringere kans op ernstige verschijnselen. Een enkel paard vaccineren is dus ook zinvol. Een ander voordeel van vaccineren is het beperken van de uitscheiding van het virus. Hierdoor blijft de infectiedruk lager en wordt de kans dat andere paarden besmet raken sterk verkleind.

Drachtige merries

Bij drachtige merries wordt geadviseerd om te enten in de 5e, 7e en 9e maand van de drachtigheid. Ook zonder basisvaccinatie is het zinvol om te vaccineren tegen de abortusvariant. Naast de bescherming tijdens de dracht, bevat ook de biest een grote hoeveelheid antistoffen die het veulen zullen beschermen. Verder is het aan te raden om de drachtige merrie zo min mogelijk in contact te laten komen met andere paarden en stress te vermijden.

Jonge paarden

Jonge paarden zijn het meest kwetsbaar om een Herpes infectie door te maken. De best mogelijke immunisatie strategie is gebaseerd op het vaccineren van de jonge paarden. Tot een leeftijd van ongeveer 6 maanden zijn ze nog beschermd door antistoffen uit de biest, daarna biedt een degelijke basisvaccinatie bescherming tegen Rhinopneumonie.

Preventie

Vaccinatie:
– Algemeen: 2x basisvaccinatie met 4-6 weken tussentijd en vervolgens elke 6 maanden
• Veulens vanaf 5-6 maanden leeftijd (als merrie goed gevaccineerd is) 2x basisvaccinatie met 4-6 weken tussentijd met herhaling na 3 maanden of na 6 maanden afhankelijk van de bedrijfsstructuur.
• Drachtige merrie: op 5, 7 en 9 maanden van de dracht. Bij voorkeur met 2x een basisvaccinatie.

Preventieve maatregelen:
• Beperk het transport van paarden.
• Geef aandacht aan de hygiene van de stal en van de personen, die met de paarden in aanraking komen. Direct contact tussen paarden en indirect contact via mensen kan het virus verspreiden.
• Wees alert op de fitheid van de paarden en controleer de temperatuur van de paarden.
• Paarden met een verhoging zo snel mogelijk scheiden van de rest van de koppel. Het is nooit te laat om een geïnfecteerd paard te isoleren. Mogelijk voorkom je hiermee grootschalige uitbraken, omdat EHV zich slechts over korte afstand verplaatst.
• Mocht het ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch tot een uitbraak komen, dan is het verstandig alle contact met andere paarden te vermijden om indirecte besmetting te voorkomen. Bedenk dat paarden vooral tijdens een koortspiek veel virus uitscheiden. Reinig in ieder geval de stal en omgeving. Neem ook al het stof af en desinfecteer met een antiviraal middel zoals chloor of Halamid®.