Rhinopneumonie

Rhinopneumonie

Er is veel discussie over wel of niet vaccineren van paarden ter bescherming van Rhinopneumonie. Op de markt zijn verschillende entstoffen verkrijgbaar. Door vaccinatie treedt bescherming op, maar deze is onvolledig en moet in de praktijk om de aantal maanden worden herhaald. Toch zorgt vaccinatie er wel voor dat dieren minder ziek worden en de uitscheiding van virus door zieke dieren wordt verkort. Uiteindelijk blijft hierdoor de infectiedruk binnen een bedrijf lager, waardoor de kans groot is dat niet alle paarden ziek worden.

Vaccinatie tegen de ademhalingsvorm is redelijk betrouwbaar, maar moet na een degelijke basisenting minimaal 2 keer per jaar herhaald worden. Dit is genoeg om verkoudheden veroorzaakt door dit virus voor een groot deel te voorkomen. Tegen de neurologische vorm is enten niet effectief. Belangrijk is dat de enting altijd als groepsenting wordt gegeven. Dus alle paarden op stal moeten tegelijk geënt worden. Het enten van 1 paard in een groep paarden die niet geënt worden tegen de Rhinopneumonie lijkt niet zinvol.

Drachtige merries

Bij drachtige merrie wordt geadviseerd om te enten in de 3e, 5e, 7e en 9e maand van de drachtigheid. Hiervoor is de beste keus om een vaccin te kiezen dat speciaal voor drachtige merries is geregistreerd. Naast de bescherming tijdens de dracht, bevat ook de biest een grote hoeveelheid antistoffen die het veulen zullen beschermen. Verder is het aan te raden om de drachtige merrie zo min mogelijk in contact te laten komen met andere paarden en stress te vermijden.

Jonge paarden

Jonge paarden zijn het meest kwetsbaar om een Herpes infectie door te maken. De best mogelijke immunisatie strategie is gebaseerd op het vaccineren van de jonge paarden. Tot een leeftijd van ongeveer 6 maanden zijn ze nog beschermd door antistoffen uit de biest, daarna biedt een degelijke basisvaccinatie bescherming tegen Rhinopneumonie. Geef de eerste enting op 6 -7 maanden leeftijd, de tweede enting volgt 4-6 weken na de eerste enting. Een derde enting volgt 3 maanden later. Daarna is iedere 3 tot 6 maanden hervaccinatie noodzakelijk.

Mocht het ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch tot een uitbraak komen, is het verstandig alle contact met andere paarden te vermijden om indirecte besmetting te voorkomen. Het is nooit te laat om een geïnfecteerd paard te isoleren. Mogelijk voorkom je hiermee grootschalige uitbraken omdat EHV zich slechts over korte afstand verplaatst. Bedenk dat paarden vooral tijdens een koortspiek veel virus uitscheiden. Reinig in ieder geval de stal en omgeving. Neem ook al het stof af en desinfecteer met een antiviraal middel zoals chloor of Halamid®.

Conclusie

Vaccinatie tegen Rhinopneumonie is alleen zinvol als alle paarden op stal gevaccineerd worden. Vaccinatie gecombineerd met een zorgvuldig stalmanagement geven dan een goede bescherming, ook voor uw drachtige merrie.