Rhinopneumonie en EVA
Rhinopneumonie
Even geleden besprak In de Strengen de noodzaak van vaccineren, met name het vaccineren van fokmerries en veulens. Uitvoerig werd ingegaan op de vaccinatie tegen het influenza virus en tetanus. Een andere besmettelijke ziekte waartegen gevaccineerd kan worden is Rhinopneumonie; de schrik van iedere fokker. Rhinopneumonie is in Nederland namelijk een van de belangrijkste oorzaken van abortus bij de merrie. Dit artikel geeft meer inzicht in de verschillende vormen van dit veelbesproken virus en de mogelijkheden tot vaccineren hier tegen.
Herpes
Rhinopneumonie behoort tot de groep van de herpes virussen. Een bijzondere eigenschap van virussen uit deze groep is dat het mens en dier kan infecteren, zonder dat deze direct ziek worden. Een bekend voorbeeld bij de mens is de koortslip die Herpes veroorzaakt. Na besmetting ontstaat bij sommige mensen meteen een koortslip, terwijl deze bij anderen pas veel later tot uiting komt. Herpes virussen houden zich in het lichaam schuil. Het lichaam maakt wel antistoffen aan, maar niet genoeg om het virus geheel te bestrijden. Het lichaam blijft dus drager. De koortslip komt terug op momenten dat de weerstand van het lichaam lager is door ziekte, vermoeidheid of een slechte conditie. Onthoudt goed dat ook dragers die zelf niet ziek zijn wel anderen kunnen besmetten!
Bij het paard gaat dat net zo. Een Herpes virus kan zich in het lichaam schuil houden en veel later alsnog toeslaan als het paard stress heeft of zich wat minder voelt. Rhinopneumonie infecties zien we bijvoorbeeld vooral in het najaar en winter. Door de wisselende weersomstandigheden staat de afweer regelmatig onder druk. Een bijkomend nadeel is dat alle paarden weer bij elkaar op stal komen. Veel paarden in een relatief kleine ruimte zorgen voor een hoge infectiedruk. Dit zijn ideale omstandigheden voor een virus om van het ene naar het andere paard over te gaan.
Het klassieke voorbeeld van een Rhinopneumonie infectie is de situatie thuis bij een fokker die in het najaar de jaarlingen op stal haalt. De jaarlingen hebben nog geen weerstand tegen het Rhinopneumonie virus en worden besmet door de andere paarden die niet ziek, maar wel drager van dit virus zijn. Als de jaarlingen ziek worden, stijgt de infectiedruk op stal. Doordat er zoveel virus vrijkomt in de omgeving, worden ook paarden ziek die wel afweerstoffen hebben. Het is dus een ‘must’ jonge paarden te scheiden van de rest van de groep en in ieder geval nooit op stal te zetten bij dragende merries!
Besmettelijkheid
Herpesvirussen zijn redelijk besmettelijk. Het is niet zo dat ze vele kilometers met de wind meegevoerd kunnen worden zoals dat het geval is met het mond- en klauwzeervirus. Aangenomen wordt dat er bij een afstand van een paar meter al geen overbrenging meer mogelijk is. Herpes verspreidt zich door direct en indirect contact. In geval van besmetting is direct contact tussen paarden makkelijk te voorkomen. In theorie zou het dus voldoende zijn om jonge paarden toch op het zelfde bedrijf te plaatsen, maar wel in een andere stal. Moeilijker is het echter met indirect contact. Snot van een besmet paard en vruchtwater van een door rhinopeumonie aborterende merrie bevat grote hoeveelheden virusdeeltjes. Deze kunnen via schoenen, kleding, kruiwagens en voerscheppen naar andere paarden overgebracht worden. Zorg daarom voor de gepast hygiëne.
De symptomen
Rhinopneumonie heeft drie verschijningsvormen. De ademhalings- of verkoudheidsvorm, de abortusvorm en de neurologische (verlammings) vorm.
De ademhalings- of verkoudheidsvorm is de meest voorkomende vorm. Deze veroorzaakt net als influenza een infectie van de voorste luchtwegen, met koorts, algemeen ziek zijn en eventueel dikke benen. Zieke dieren hebben koortspieken tot 41 °C. De lymfeklieren zijn gezwollen, maar het is zeker niet zo dat het hele keel- en kaakgebied gezwollen is zoals bij droes. Het dier hoest, heeft snot en de ogen kunnen tranen. Meestal is de infectie mild en wordt nauwelijks opgemerkt. Soms ‘gaat er een verkoudheid door de stal’. Dit gaat na enkele weken weer over, tenzij als complicatie een longontsteking ontstaat. Verder is het natuurlijk wel zo dat de algemene weerstand beduidend minder is bij paarden die ziek zijn. Paarden geïnfecteerd met het Rhinopneumonie virus zijn daarom veel gevoeliger om secundair geïnfecteerd te worden door bacteriën. Bacteriën veroorzaken groen-gele neusvloeiing. Een bekend voorbeeld hiervan is de droesbacterie Streptococcus Equi. De neurologische vorm zorgt voor het afsterven van zenuwvezels in het ruggenmerg. Zo ontstaat verlamming van de achterhand; ataxie. In sommige gevallen heeft deze infectie een mild, voorbijgaand verloop. De ataxie kan na een goede verzorging weer min of meer herstellen. In andere gevallen zakt de patiënt volledig door de benen en kan niet meer mesten. Deze paarden zijn niet meer te redden. Deze vorm van Rhinopneumonie kwam onlangs uitvoerig in het nieuws toen er een uitbraak was op een manege in Santpoort-Noord. Daar moest een pony worden ingeslapen ten gevolge van een rhino infectie. 
Tenslotte is er de abortusvorm. Deze kan bij drachtige merries het ongeboren veulen in de baarmoeder infecteren. Meestal veroorzaakt dit abortus. Wanneer een merrie tegen het einde van de dracht geïnfecteerd wordt, kan het veulen nog levend ter wereld komen. Deze veulens hebben echter al ernstige schade opgelopen en bezwijken gewoonlijk in de eerste uren tot dagen van hun leven. De merrie verwerpt pas een aantal maanden na het doormaken van de infectie, maar het aborteren is na infectie niet te voorkomen. Het blijft vaak bij één of enkele merries per bedrijf, soms verwerpt echter meer dan 50% van de fokmerries. In de geaborteerde vrucht kan het virus vaak, maar lang niet altijd aangetoond worden. Het geaborteerde materiaal is uiterst besmettelijk en moet zorgvuldig opgeruimd worden.
Diagnose
De diagnose is met alleen de klinische verschijnselen niet te stellen. Meer zekerheid krijg je door neusswabs of bloedmonsters te nemen om antilichamen aan te tonen. Bloedafname dient tweemalig te gebeuren met ongeveer 3 weken tussentijd. Er wordt dan gekeken naar een verschil in antilichamen, zodat met zekerheid kan worden aangenomen wat de achterliggende oorzaak is geweest. Bij een abortus heeft het alleen zin om de verworpen vrucht en nageboorte te laten onderzoeken. Rhinopneumonie geeft dan een karakteristiek beeld.
Vaccinatie en preventie
Er is veel discussie over wel of niet vaccineren van paarden ter bescherming van Rhinopneumonie. Op de markt zijn verschillende entstoffen verkrijgbaar. Door vaccinatie treedt bescherming op, maar deze is onvolledig en moet in de praktijk om de aantal maanden worden herhaald. Vaccinatie zorgt er in ieder geval wel voor dat dieren minder ziek worden en de uitscheiding van virus door zieke dieren wordt verkort. Uiteindelijk blijft hierdoor de infectiedruk binnen een bedrijf lager, waardoor de kans groot is dat niet alle paarden ziek worden.
Vaccinatie tegen de ademhalingsvorm is redelijk betrouwbaar, maar moet na een degelijke basisenting minimaal 2 keer per jaar herhaald worden. Dit is genoeg om verkoudheden veroorzaakt door dit virus voor een groot deel te voorkomen. Tegen de neurologische vorm is enten niet effectief. Belangrijk is dat de enting altijd als groepsenting wordt gegeven. Dus alle paarden op stal moeten tegelijk geënt worden. Het enten van 1 paard in een groep paarden die niet geënt worden tegen de Rhinopneumonie lijkt niet zinvol.
Drachtige merries en jonge paarden
Bij drachtige merrie wordt geadviseerd om te enten in de 3e, 5e, 7e en 9e maand van de drachtigheid. Hiervoor is de beste keus om een vaccin te kiezen dat speciaal voor drachtige merries is geregistreerd. Naast de bescherming tijdens de dracht, bevat ook de biest een grote hoeveelheid antistoffen die het veulen zullen beschermen. Verder is het aan te raden om de drachtige merrie zo min mogelijk in contact te laten komen met andere paarden en stress te vermijden.
Jonge paarden zijn het meest kwetsbaar om een Herpes infectie door te maken. De best mogelijke immunisatie strategie is gebaseerd op het vaccineren van de jonge paarden. Tot een leeftijd van ongeveer 6 maanden zijn ze nog beschermd door antistoffen uit de biest, daarna biedt een degelijke basisvaccinatie bescherming tegen Rhinopneumonie. Geef de eerste enting op 6 -7 maanden leeftijd, de tweede enting volgt 4-6 weken na de eerste enting. Een derde enting volgt 3 maanden later. Daarna is iedere 3 tot 6 maanden hervaccinatie noodzakelijk.
Mocht het ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch tot een uitbraak komen, is het verstandig alle contact met andere paarden te vermijden om indirecte besmetting te voorkomen. Het is nooit te laat om een geïnfecteerd paard te isoleren. Mogelijk voorkom je hiermee grootschalige uitbraken omdat EHV zich slechts over korte afstand verplaatst. Bedenk dat paarden vooral tijdens een koortspiek veel virus uitscheiden. Reinig in ieder geval de stal en omgeving. Neem ook al het stof af en desinfecteer met een antiviraal middel zoals chloor of Halamid®.
Conclusie
Vaccinatie tegen Rhinopneumonie is alleen zinvol als alle paarden op stal gevaccineerd worden. Vaccinatie gecombineerd met een zorgvuldig stalmanagement geven dan een goede bescherming, ook voor u drachtige merrie.
Equine virus arteritis (EVA)
Equine virus arteritis is een virale infectie bij het paard, veroorzaakt door het Equine arteritis virus (EAV). Omdat EVA in Nederland geen grote rol speelt als klinisch probleem is de ziekte niet echt bekend. Toch bezorgt EVA hengstenhouders en handelaren enorme kopzorgen omdat EVA wel van belang is bij export van paarden en sperma naar bepaalde landen. Paarden die positief zijn op EVA mogen niet in de Europese Unie worden geïmporteerd en ook sperma bestemd voor de export mag geen EVA virus bevatten. De directe aanleiding voor dit artikel is de wens van de leden van de WBFSH om te komen tot een harmonisering in de regelgeving voor wat betreft preventieve mogelijkheden en testprocedures rondom EVA.
De ziekte
Eerst even een korte beschrijving van de ziekte en het belang ervan voor de Nederlandse situatie. Het is een van die virussen die bij tijd en wijle door een stal gaan. De ziekteverschijnselen zijn over het algemeen weinig specifiek en meestal niet ernstig. Vaak zien we dat een aantal paarden wat slechter eten, koortsig zijn en dikke benen hebben, meestal aan de achterhand. Eventueel gaat dit gepaard met sloomheid, verminderde eetlust, neusuitvloeiing, of wat ooguitvloeiing en zwelling (oedeem) van de oogleden (“pink eye”). Soms zien we bij EVA ook oedeem van het scrotum, het uier, de buikwand en haverbultjes in de huid. Maar meestal maken paarden de infectie door zonder zelf ziek te worden.
Voor de fokkers is EVA van belang omdat geïnfecteerde drachtige merries kunnen aborteren. Deze abortus vindt plaats zeer korte tijd na het begin van de infectie. Indien de infectie op het eind van de dracht optreedt kan het veulen levend en geïnfecteerd ter wereld komen, deze veulens zijn vaak zwak en kunnen snel sterven.
Niet alle dieren zijn even gevoelig, jonge dieren en oudere paarden zijn gevoeliger. In Nederland wordt bij circa 25-30% van de paarden antistoffen gevonden. Dit percentage lijkt de laatste jaren snel te stijgen en varieert nogal tussen diverse populaties. Het is onder andere afhankelijk van de contacten met andere paarden zoals bijvoorbeeld op wedstrijden en keuringen.
De ziekte komt wereldwijd voor en wordt overgedragen door direct contact tussen gevoelige dieren en dieren die een acute infectie doormaken. Besmetting gaat hoofdzakelijk via de ademhalingorganen, maar ook in urine kan veel virus gevonden worden. Merries en ruinen blijven na infectie slechts zo’n 3 weken virus uitscheiden.
Maar bij hengsten kan het virus in de geslachtsklieren aanwezig blijven. Ze kunnen dan gedurende langere periodes (variërend van 2-5 weken tot zelfs meerdere jaren) het virus via hun sperma uitscheiden. Deze uitscheiding staat onder invloed van het mannelijke geslachtshormoon testosteron. Deze hengsten blijven symptoomloze dragers en scheiden geen virus uit via andere routes. De kans dat hengsten die voor de puberteit besmet worden later virusuitscheider worden is zeer klein.
Paarden die een infectie hebben doorgemaakt blijven serologisch te traceren en hebben een goede immuniteit tegen nieuwe infecties met EVA.
Echte uitbraken van EVA worden niet zo vaak beschreven en worden alleen gezien in populaties waar het virus tot dan toe niet aanwezig was. In deze gevoelige populaties vindt introductie van het virus veelal plaats via een symptoomloze drager hengst of via KI met besmet sperma. De symptomen zijn dan wat duidelijker en meer dieren zullen worden getroffen, ook de abortus is dan meer opvallend.
EVA heeft geen direct effect op de vruchtbaarheid. Echter een merrie kan wel algemeen ziek worden na inseminatie met besmet sperma en daardoor niet opnemen. Een volgende cyclus kan ze gewoon opnemen. Merries die op deze manier besmet raken, maken de infectie door en scheiden zoals al gezegd maar korte tijd virus uit, zij zullen hun eigen veulen niet besmetten.
EU stations
Het virus kan ook worden overgedragen via KI met vers- en diepvriessperma.
Hierdoor kan verspreiding naar seronegatieve (gevoelige) dieren over grote afstand plaats vinden. In EU verband worden er eisen gesteld aan sperma voor wat betreft EVA. Daarom wordt van alle hengsten op EU stations waarvan sperma wordt geëxporteerd, maandelijks de EVA status gecontroleerd middels bloed- en/of spermaonderzoek. Deze hengsten dienen tevens minimaal 30 dagen voor de spermavangst in quarantaine te worden gehuisvest en mogen in die periode uiteraard ook niet natuurlijk dekken.
Preventie en behandeling
Om de verspreiding van EVA te verminderen is het mogelijk om te vaccineren. Dit is een zeer effectieve manier om een populatie te beschermen. In Nederland is dit echter niet toegestaan. Je zou merries voorafgaand aan een dekking kunnen vaccineren, of potentiële dekhengsten zouden al op jonge leeftijd geënt kunnen worden zodat ze niet geïnfecteerd raken. Nadeel van vaccinatie is dat bij bloedonderzoek geen onderscheid gemaakt kan worden tussen gevaccineerde en geïnfecteerde dieren. Daardoor kan het belemmerend werken ten aanzien van export naar bepaalde landen en is vaccinatie niet toegestaan in Nederland.
Er is inmiddels ook wat ervaring opgedaan met het behandelen van virusuitscheiders. Zoals gezegd staat virusuitscheiding onder invloed van testosteron. Remming van de testosteronproduktie (het meest effectief is uiteraard een castratie!) kan met een immunisering tegen de testosteronstimulerende hypofysehormonen (GnRH). Paarden die op deze manier behandeld worden stoppen met virusuitscheiding na zo’n 4-6 maanden. Deze therapie lijkt veelbelovend maar is nog niet op grote schaal geprobeerd.
Exportonderzoek.
Bij het officiële exportonderzoek van levende dieren en sperma wordt gebruik gemaakt van laboratoriumtesten op antistoffen in het bloed, de zogenaamde virusneutralisatietest en virologisch onderzoek om EAV virusdeeltjes aan te tonen in sperma. De wereld gezondheidsdienst voor dierziekten, de OIE, heeft de criteria waaraan de testen moeten voldoen in een handleiding omschreven. Desondanks zijn er een aantal factoren die de uitkomst van deze testen kunnen beïnvloeden. Daardoor stemmen de resultaten niet altijd met elkaar overeenstemmen of zijn ze niet goed te interpreteren.
In Nederland is het CIDC in Lelystad verantwoordelijk voor de EVA-testen. Voor officiële exportonderzoeken gebruikt het CIDC een door het referentielaboratorium voor EVA in Weybridge (GB) geaccrediteerde test. In sommige buitenlandse laboratoria gebruikt men soms andere methodes voor het onderzoek. Daardoor kunnen er afwijkende uitslagen gevonden worden met alle gevolgen van dien. Het kan dus zijn dat een hengst in Nederland negatief test, terwijl in het buitenland wel EVA wordt gevonden. Daarnaast ziet men bij bepaalde dieren een beïnvloeding van de testresultaten die mogelijk verband houdt met antilichamen in het bloed door vaccinaties en/of infecties met andere virussen. Voor deze groep is het soms niet mogelijk om iets te zeggen over de EVA status.
Daarom wordt er gezocht naar mogelijkheden om de methodes te standaardiseren en te harmoniseren of betere testen te ontwikkelen. Hiermee komt men hopelijk in de toekomst met het transport van paarden en/of sperma niet langer voor verrassingen te staan.
Kader:
Dit artikel kwam mede tot stand met medewerking van Dr. Hans Kramps van het CIDC-Lelystad afdeling virologie. |