Fabels en feiten van het ontwormen
Iedere paardeneigenaar weet dat zijn of haar paard ‘regelmatig’ ontwormd moet worden, want stel je voor dat jouw paard wormen krijgt. Maar waartegen ontworm je eigenlijk als je een wormspuit in de mond van jouw viervoeter leegdrukt? En wat is ‘regelmatig’? Hoe zien wormen in het paard er überhaupt uit en wat doen ze bij het paard?
Om de eerste fabel meteen aan te halen; het kan niet zo zijn dat een rijpaard of pony helemaal geen wormen heeft. Feit is dat in het lichaam van elk paard, van elk ras, van elke leeftijd of maat zich continu wormen bevinden. Pas als deze wormen door omstandigheden in enorme aantallen in het lichaam van jouw paard of pony aanwezig zijn geeft dit problemen en is er direct gevaar voor gezondheid en conditie. In dit stadium wordt er in de volksmond pas gezegd dat ‘een paard wormen heeft’.
Wat is een worm?
Als we spreken over wormen bij het paard, hebben we het eigenlijk over een grote groep parasieten die zich in het lichaam nestelen. Deze parasieten zijn in verschillende stadia aanwezig. Als ei, larve of volwassen worm. De meeste parasieten bevinden zich in het maagdarmkanaal en hebben van daaruit een negatieve invloed op de gezondheid van het paard.
Eieren of larven van maagdarmwormen komen voor in de omgeving van ieder paard. Deze zitten op het gras, in het hooi en het stro dat een paard eet en in besmet water. Ook op de stalvloer kunnen eieren of wormlarven overleven. Het paard wordt dus besmet bij het eten, het drinken of zelfs door het likken van de stalvloer of muren. In het lichaam groeit de opgenomen larve uit tot een volwassen worm. De meeste wormen leven in het maagdarmkanaal. Daar leggen ze enorme hoeveelheden eitjes die met de mest naar buiten komen. Paarden met veel wormen scheiden miljoenen eitjes per dag uit die op hun beurt de omgeving weer besmetten. Het is dus een cyclus die doorbroken moet worden om het gevaar op de negatieve gevolgen ten gevolge van massale besmetting te verminderen.
Soorten parasieten
Paarden worden besmet door verschillende soorten wormen. Iedere soort heeft zijn eigen levenscyclus en is verantwoordelijk voor specifieke ziektebeelden. Een korte samenvatting van de meest voorkomende wormen bij het paard:
Spoelwormen
Een volwassen spoelworm kan wel vijftig centimeter lang worden. De eitjes vind je in de wei, waar ze jarenlang kunnen overleven. Volwassen paarden en pony’s kunnen een goede weerstand opbouwen tegen spoelwormen, maar veulens zijn erg gevoelig voor besmetting. Als de eitjes opgegeten zijn ontwikkelen ze zich in het lichaam tot een larfje. Zo’n larfje trekt door verschillende organen van het lichaam zoals de lever en de long. Besmette veulens eten slecht, hebben een ruw haarkleed en een dikke buik. Ze groeien te weinig en zijn sloom. 
Grote bloedworm (Strongyliden)
Grote strongyliden zijn twee tot vijf centimeter lange wormen en kunnen de gezondheid van het paard fors ondermijnen. Ze kruipen in de darmslagader en andere slagaders. Besmette paarden hebben diarree en zijn erg gevoelig voor koliek. Ze eten minder, worden mager en hebben een dof haarkleed.
Kleine bloedworm (Strongyliden)
Kleine Strongyliden zijn de meest voorkomende en de meest schadelijke inwendige parasieten bij paarden. De larven kunnen zich in het darmslijmvlies inkapselen, waar ze lastig te bereiken zijn voor veel ontwormmiddelen. Ze kunnen hier wel twee jaar blijven zitten. In de winter en het vroege voorjaar komen de larven massaal uit de darmwand. In de mest zijn ze te zien als kleine rode wormpjes van ongeveer 0,5 cm lang. Deze infectie wordt ook wel cyathostominose genoemd. Bij erge besmetting worden paarden mager, krijgen diarree en niet zelden koliek. Dit kan fataal aflopen.
Lintworm
Lintwormen kunnen in een paard meer dan een meter lang worden. De meeste paarden bouwen afdoende weerstand op tegen deze worm. Gevallen van besmetting leiden echter vaak tot ernstige koliek. Soms zijn hele wormen in de mest te zien, maar bij ernstige besmetting zijn meestal vooral kleine witte stukjes in de mest te zien. Deze op rijstkorrels lijkende stukjes worden ‘proglottiden’ genoemd. Deze zitten vol met eitjes van de lintworm.
Paardenhorzel
De paardenhorzel is een vlieg die met name in augustus en oktober voor onrust onder de paarden zorgt. De horzel legt eitjes op vooral de benen van het paard. De eitjes worden opgelikt en de larven komen zo in de maag terecht, waar ze overwinteren, maar zelden voor grote schade zorgen. Af en toe kan beschadiging van de maagwand optreden, wat leidt tot mindere eetlust en vermagering. Besmette paarden gapen vaak.
Andere wormen waarmee paarden geïnfecteerd raken zijn de aarsworm, de longworm en de veulenworm. De aarsworm leeft in het achterste gedeelte van de darm en legt zijn eitjes rondom de anus. Dit veroorzaakt jeuk, waardoor het paard gaat schuren. Haren van de staart kunnen hierdoor afbreken. De longworm wordt vooral overgenomen van de ezel. Besmette paarden krijgen een droge hoest, eten minder en worden er in het ergste geval dampig van. Tenslotte zijn veulens gevoelig voor een worm die via de moedermelk opgenomen wordt, of r echtstreeks door de huid. De veulenworm veroorzaakt vaak diarree en koliek.
Mest
Als er geen wormen in de mest worden aangetroffen, is het dus nog niet zeker dat een paard geen wormenbesmetting ondergaat. Enkel een paar soorten wormen zijn in de mest met het blote oog te zien. Bovendien is het bij de meeste wormen zo dat ze in het paard zitten en dat ze alleen de eitjes of de larven uitscheiden via de mest. Met een microscoop kunnen de larven en eitjes wel gevonden worden. Ook kan zo de soort en de graad van besmetting vast gesteld worden.
De wormbesmetting zo laag mogelijk houden is een strategie waarbij succes op verschillende pijlers rust. Het juiste gebruik van ontwormmiddelen op het juiste tijdstip is daar een onderdeel van. Voor de rest is het belangrijk om bij het hele stal- en weidemanagement te streven naar een zo laag mogelijke infectiedruk. Verwijder daarom zo vaak mogelijk de mest uit de stal. Mest stallen minimaal een keer in de week volledig uit. Daarnaast is het verstandig de boxen een paar keer per jaar met warm water onder hoge druk schoon te maken om parasieteieren te verwijderen. Vooral spoelwormeieren verdwijnen anders moeilijk.
Het is een feit dat de meeste worminfecties opgelopen worden op een besmette wei. Probeer dit te voorkomen door de weidebesmetting zo laag mogelijk te houden. Plaats niet te veel paarden in eenzelfde wei en verwijder de mest zo veel mogelijk uit de wei (in ieder geval één keer in de week). Dit kost niet eens zoveel tijd, omdat paarden doorgaans maar op één bepaalde plaats in de wei mesten. Dit is de hoek waar het gras erg lang is. Eigenlijk is dit een natuurlijk beschermingsmechanisme van het paard. Daar waar de mest ligt, bevinden zich ook de meeste wormeitjes en larven. Het paard zal daar alleen mesten, maar niet gaan eten.
Nog beter is het de paarden regelmatig om te weiden naar een ‘veilige, onbesmette wei’. Dit is een wei waar het afgelopen jaar geen paarden hebben gelopen. Daarnaast moet de hele wei af en toe gemaaid of gesleept worden. Door te slepen verspreid je de mest, waardoor deze sneller indroogt. Wormeitjes en larven kunnen slecht tegen droogte en sterven snel onder invloed van directe zonnestralen. Wees voorzichtig met de introductie van nieuwe paarden in de groep. Ontworm ze voordat ze de wei op mogen, hiermee wordt de kans op insleep van mest, besmet met wormeieren, sterk verminderd.
Afwisselend begrazing door paarden en herkauwers, vermindert de infectiedruk. Dit omdat de meeste paardenwormen in herkauwers niet overleven. Ook eten bijvoorbeeld schapen vooral daar waar het gras hoog staat. Als het hoge gras waar de paardenmest ligt kort gegraasd is door de schapen, zal de mest met de larven en wormeitjes sneller indrogen.
Vroeger in de vrije natuur ging dat ook zo. Het paard had ruimte genoeg om overal te grazen en de eigen ‘mestplaatsen’ te ontwijken. Andere diersoorten graasden op dezelfde plaats. Als de paardenparasieten toch in de andere dieren terecht komen, sterven ze af zonder negatieve gevolgen voor deze vreemde gastheer. Tegenwoordig is de situatie echter anders. We hebben vaak maar een klein stukje land waarop de paarden naar buiten kunnen. Op grote pensionstallen is het zelfs zo dat meerdere groepen paarden op een dag afwisselend in eenzelfde wei worden gezet. Dit zijn vaak ook nog eens permanente paardenweides die jaar in jaar uit alleen door paarden begraasd worden. Paarden hebben minder mogelijkheden om mestplaatsen te vermijden. Het is dus noodzakelijk dat een paardeneigenaar maatregelen treft om de wormbesmetting onder controle te houden.
Ontwormschema
Om de besmettingsdruk van de wormen zo laag mogelijk te houden is een zorgvuldig samengesteld ontwormschema essentieel. Afhankelijk van de omstandigheden waaronder het paard gehouden wordt en het gebruikte middel moet een paard om de acht tot twaalf weken ontwormd worden. Houd daarbij vooral rekening met het feit dat niet alle wormen gevoelig zijn voor elk ontwormmiddel. Ook gaan bepaalde larven niet meer dood bij gebruik van een bepaald product omdat ze er ongevoelig voor geworden zijn. Dit noemen we resistentie. Om resistentie tegen te gaan is het belangrijk de werkzame stof af te wisselen. Nog beter is het om een mestmonster te onderzoeken op aanwezigheid van wormeieren. Zo kun je in overleg met je dierenarts gericht ontwormen.
Een korte samenvatting van de in Nederland gebruikte werkzame stoffen in ontwormpreparaten:
Ivermectine (o.a. Eqvalan®, Equimectin®, Noromectin®, Hippomec®, Furexel®, Eraquell®). Dit is de basis van de meest gebruikte ontwormpreparaten. Deze stof bestrijdt de meeste wormen, is relatief goedkoop en er is nog geen resistentie tegen aangetoond. Het werkt minder tegen de ingekapselde bloedwormen en niet tegen lintwormen.
Moxidectine (Equest®). Deze stof is langer werkzaam en werkt wel tegen de ingekapselde bloedwormen. Dit product mag absoluut niet aan veulens jonger dan vier maanden gegeven worden.
Praziquantel (Drontal®). Deze stof bestrijdt alleen lintwormen en kan enkel gebruikt worden in combinatie met een ander preparaat om de andere parasieten aan te pakken.
Verder zijn er nog producten verkrijgbaar die werken op basis van Pyrantel (Strongid-P®, Anthel-P®, Equiworm-P®, Equitel®, Banminth®). Deze producten geven maar zeer korte bescherming en werken niet tegen de paardenhorzel en de ingekapselde bloedwormen. Gebruik van Benzamidazol-verbindingen (Telmin®, Rintal®, Panacur®, Equiworm-F® Equiminthe®) is sterk af te raden door de groeiende resistentie tegen deze groep werkzame stoffen.
De laatste jaren zijn er producten op de markt gekomen die verschillende stoffen combineren. Er zijn combinatie producten met ivermectines en praziquantel (Equimax®, Eqvalan Duo®) of moxidectine met praziquantel (Equest Pramox®). Deze zijn iets duurder dan de gangbare producten, maar geven wel een brede bescherming.
Op alle ontwormpreparaten staat een gewichtsverdeling. Het is extreem belangrijk dat paarden niet te weinig krijgen. Veel eigenaren onderschatten het gewicht van hun eigen paard. Denk eraan dat een pony al snel 300 tot 500 kg weegt en een groot paard 600 tot 700kg! Bovendien is het voor de meeste producten niet schadelijk als je te veel geeft. Te weinig is veel erger. Zo worden niet alle wormen volledig uitgeroeid, dit werkt resistentie in de hand. Eventueel kan een mest- of bloedonderzoek meer duidelijkheid geven over de graad van besmetting. Probeer in overleg met de dierenarts een inschatting te maken van de besmettingsdruk voor je eigen paard of pony. Zo kun je een ontwormschema opstellen toegespitst op de omstandigheden bij jou op stal.
Hoe zie ik dat mijn paard koliek heeft
- dor haarkleed, slecht verharen
- slechte conditie
- matige groei
- verminderde prestaties
- minder eetlust
- in extreme gevallen mager, diarree en koliek
Waar moet ik om denken tijdens het ontwormen?
- alle paarden tegelijk ontwormen
- werkzame stof afwisselen
- om de 8 tot 10 weken
- niet te weinig geven
- nooit moxidectine aan veulens jonger dan 4 maanden
- veulens vanaf dag 10
|