Home Paarden Artikelen Paard

West-Nijlvirus ontdekt in Spanje

In het Spaanse Andalusië is deze week het West-Nijlvirus opgedoken. 31 paarden werden verdacht van besmetting, bij één paard is infectie daadwerkelijk vastgesteld. De ziekte is in ongeveer 30% van de gevallen dodelijk bij paarden, mensen kunnen er in zeldzame gevallen ook aan overlijden.

Lees meer...
 

Nieuwe vereniging paardengebitsverzorgers:


Kortgeleden hebben verschillende gebitsverzorgers voor paarden een nieuwe organisatie opgericht, de Nederlandse Vereniging voor Gebitsverzorging Paard, de NVVGP. Ook onze gebitsverzorger voor paard Rik Teunissen heeft zich hierbij aangesloten.

Nascholing en ontwikkeling van nieuwe technieken staat centraal. De vereniging wil hiermee de gebitsbehandeling van paardachtigen professionaliseren.

Kijk voor meer informatie ook op de website www.NVVGP.nl Zij zullen u op de hoogte houden van de ontwikkelingen!

 

 

Ontwormwijzer voor paarden

 

Receptplicht

Sinds 1 juli 2008 zijn de regels met betrekking tot het voorschrijven van ontwormingsmiddelen veranderd. Ontwormingsmiddelen kunt u niet langer zomaar overal aanschaffen. Ze zijn alleen nog verkrijgbaar bij de dierenarts of met een recept van een dierenarts bij een bevoegde handelaar. Vanwege de toenemende resistentie tegen ontwormingsmiddelen wordt er geadviseerd om behandelingen te beperken door middel van selectief ontwormen van alleen de paarden met een hoge ei-uitscheiding in de mest.
Lees meer...
 

Koliek, de behandeling

In het vorige nummer werd besproken wat koliek is en hoe je het zelf op tijd kan herkennen. Ook werd aangehaald wat je als eigenaar kan doen als jouw paard koliek heeft. Als aanvulling hierop volgt in dit artikel een opsomming van de verschillende soorten koliek en de behandeling daarvan door de dierenarts.

De verschillende kolieken bij het paard zijn ingedeeld afhankelijk van de achterliggende oorzaak. Om duidelijk te maken wat de oorzaken van koliek kunnen zijn en waarom paarden er zo gevoelig voor zijn, volgt eerst enige uitleg over het maag-darm kanaal.

De totale lengte van het maag-darm kanaal bij een volwassen paard is bijna 40 meter! Als het voer gekauwd is komt het net als bij de mens via de slokdarm eerst in de maag. Een paardenmaag is relatief klein (8-15 liter). Verder is er in tegenstelling tot bij de meeste dieren geen weg terug. De kringspier van de slokdarm is zo goed ontwikkelt, dat een paard nooit zal overgeven en ook gas kan niet via maag en slokdarm naar buiten komen.

De uitgang van de maag is aangesloten op de dunne darm. Deze is meer dan 20 meter lang en komt uit in de dikke darm. Op de overgang van dunne naar dikke darm zit een enorm grote, blind eindigende uitpuiling; de blinde darm. Deze kan een inhoud hebben tot meer dan 30 liter en ligt aan de rechterkant in de buik. De dikke darm neemt het grootste deel van de linker buikhelft in beslag. Na het passeren van de dikke darm komt het voer als mest via het rectum weer naar buiten.

Dikke darm

Veel kolieken worden veroorzaakt door problemen in de dikke darm. De functie van de dikke darm is namelijk om samen met de blinde darm te zorgen voor vertering door middel van fermentatie. Dit wil zeggen het verteren van het voedsel door inwerking van allerlei micro-organismen (darmflora). Als deze fermentatie verstoord is, kan een overmatige gasproductie ontstaan. Omdat de dikke darm bijna volledig los ligt in de buik veroorzaakt deze gasproductie snel liggings veranderingen. De dikke darm gaat zich in de buik verplaatsen. Een ander probleem is dat de dikke darm op een paar plaatsen heel nauw is en haaks omslaat (gevaar voor verstopping) en op andere plaatsen juist een hele grote diameter heeft. Hier gaat de voedselbrok, heel langzaam voorbij en zakken zwaardere deeltjes zoals zand naar beneden en blijven liggen.

De functie van de darmen in het geheel zijn bekend. Hier wordt het voedsel afgebroken om  zoveel mogelijk nuttige stoffen vrij te laten komen. Deze nuttige stoffen worden opgenomen door het lichaam. En het voedsel wordt langzaam naar achter geduwd door een soort ritmische golfbewegingen (contracties) van de darm. Met al deze informatie zijn de meest voorkomende types koliek makkelijker te begrijpen.

Soorten koliek en behandeling

Krampkoliek is één van de meest voorkomende oorzaken van koliek. De naam spreekt voor zich, de pijn ontstaat doordat delen van de darmen verkrampen. Belangrijke oorzaken hiervan zijn dat het paard ‘iets verkeerds’ heeft gegeten waardoor de vertering verstoord is en er stoffen gevormd worden die de darm doen verkrampen. Het is één van de minst ernstige vormen van koliek. Soms is de mest wat waterig en de darmwerking zal zelden helemaal stil vallen.

Krampkoliek gaat vaak na een half uurtje stappen wel over. Blijft de koliek na het stappen toch aanhouden dan moet je de dierenarts bellen. Deze kan controleren of het inderdaad om een krampkoliek gaat en, indien nodig, de patiënt behandelen. Vaak is dit een darmontspanner, of een pijnstillende injectie. Bij paarden die vaker krampkoliek hebben, kan de darmflora van slag zijn. Met behulp van medicijnen of ondersteunende supplementen kan men deze corrigeren.

Zandkoliek is een lichte, regelmatig terugkerende koliek. De mest wisselt van consistentie, soms waterig en soms weer normaal. Deze patiënten zijn sloom en voelen zich duidelijk niet goed. In de mest kun je het zand voelen schuren. Zand schuurt ook aan de binnenkant van de darmen en beschadigen het slijmvlies waardoor verstoring van de darmfunctie optreedt met kramp en pijn als gevolg. De dierenarts kan paraffineolie in de maag brengen. Dit neemt het zand samen met de mest mee naar buiten. Ook kun je een aantal dagen achtereen psyllium of Sandclear voeren. Het belangrijkste blijft echter het voorkomen van deze koliek. Wees erop bedacht als een paard in een te korte weide loopt. Vooral in het najaar als de het wat natter is lopen ze risico. Gras wordt dan met wortel en al uit de grond getrokken. Als je het vermoeden hebt dat je paard zand binnen krijgt, is het verstandig om preventief gekookt lijnzaad, psyllium of Sandclear te voeren. Zo wordt het overtollige zand uit de darmen afgevoerd en de darmwand beschermd.Sonderen paard

Verstoppings koliek: ergens in de darmen (vaak in de dikke darm) zit een blokkade waardoor de mest niet kan passeren. Een voorbeeld hiervan is een paard dat te veel stro gegeten heeft. De mest is dan erg droog en er zitten veel vezels in. Meestal is dit een milde koliek die makkelijk te behandelen is door een dierenarts. De verstopping kan zelfs al weg zijn na wat stappen of een paar minuten longeren. Complicaties kunnen optreden als de verstopping hardnekkig is of pas laat opgemerkt wordt. Alle mest blijft voor de blokkade steken waardoor de darm vol raakt en onder spanning komt te staan. Dit doet pijn.

Omdat de darm zal proberen met ritmische contracties de inhoud naar achter te werken ontstaat een enorme ophoping voor de blokkade. Bovendien gaat de darm verkrampen rond de inhoud. Door te gaan stappen ontspant de darm weer en komt eventueel de hele verstopping vrij. Een dierenarts kan hierbij helpen door een darmontspanner te spuiten. Als de blokkade zich in het achterste deel van de darm bevindt, kan de dierenarts deze rectaal voelen. De dikke darm zit dan vol met een dikke, stevige inhoud en komt vaak wat verder naar achter te liggen. Het is overigens niet zo dat de darm van achter uit leeg gehaald kan worden. Bij pas geboren veulentjes is dat nog wel zo. Daar kan de eerste mest zich vlak voor de anus ophopen. Dit is te verhelpen door een clysma. Bij grote paarden bevindt de verstopping zich een paar meter voor het einde van de darm.

Wel bestaan er andere laxeermiddelen om de inhoud te verweken vanaf de voorkant. De dierenarts kan door een slang in de neus (neussonde) paraffineolie in de maag gieten. Bedenk wel dat het enige tijd duurt voordat de olie op de plaats van verstopping aangekomen is. Bij een gezond paard kan het al 18 uur duren voordat het opgenomen voedsel er aan de achter kant weer uit komt. Als de darmen trager werken en bijna stil liggen duurt dat natuurlijk nog veel langer. Een verstoppings koliek kan dan ook meerdere dagen aanhouden. In de tussentijd mag het paard natuurlijk niets meer eten. Zet de patiënt zolang in een lege stal, of een stal met zaagsel of vlas. Af en toe wat licht werk aan de longe kan de darmbeweging weer op gang brengen. 

Als de verstopping niet los komt, kan de dierenarts ter ondersteuning een infuus geven. Dit stimuleert de beweging van de darmen. Een meer ingrijpende methode om te laxeren is gebruik te maken van een zoutoplossing. Het paard moet daarbij een grote hoeveelheid vocht toegediend krijgen door een infuus om niet uit te drogen. De zoutoplossing zorgt er namelijk voor dat vocht uit het lichaam de darm ingezogen wordt met de bedoeling dat alles er als diarree uitspuit. Mocht het echt niet lukken de verstopping weg te werken, dan kan een operatie noodzakelijk zijn.

Gaskoliek: Bij plotse veranderingen in de voersamenstelling kan de fermentatie verstoord worden. Als de darmflora niet langzaam kan wennen aan een andere voersamenstelling, wordt enorm veel gas geproduceerd. Een voor iedereen bekend voorbeeld is de te snelle overgang van hooi naar vers gras in het voorjaar.

Naast een abrupte verandering van voer kan ook een verminderde beweeglijkheid van de darmen zorgen voor gasontwikkeling. Hierdoor gaan vooral snel verteerbare bestanddelen in het voer fermenteren waardoor veel gas vrijkomt. De verminderde beweeglijkheid van de darmen kan vele oorzaken hebben, zoals stress of plotselinge weersveranderingen. Ook zware inspanning geeft een verminderde beweeglijkheid van de darmen, vandaar dat voeren vlak voor het rijden niet goed is. Onderschat in dit verhaal ook het gevaar van wormen niet. Grote aantallen wormlarven kruipen tijdens hun ontwikkeling door de darmwand. Dit kan aanleiding geven tot een verminderde darmwerking.

De ernst van gaskoliek verschilt afhankelijk van de hoeveelheid gas en de plaats van de gasophoping. De pijn ontstaat door de spanning die op de darmwand komt te staan. Vaak is het aan de buitenkant al te zien, de buik is helemaal opgeblazen. Meestal gaat het om een milde koliek die goed te behandelen is, als deze niet gecompliceerd is met liggingsveranderingen.

Vaak gaat de koliek al over na een paar keer wat stappen aan de hand. De dierenarts kan helpen door een pijnstillende injectie te geven. Als de pijn verdwenen is, komt de darmwerking makkelijker op gang. Soms zit er zoveel gas in de darmen dat het er echt niet meer uit kan via de natuurlijke weg. Met een dikke naald kan de dierenarts de darm van buitenaf aanprikken om het gas rechtstreeks te laten ontsnappen.

Liggingsverandering en afsnoering: dit is in de meeste gevallen een ernstige vorm van koliek die gepaard gaat met veel pijn en heftige reacties van het paard. Zeker als een deel van de darm om zijn eigen as gedraaid is, de bekende ‘slag in de darm’. Het is zaak zo snel mogelijk een dierenarts in te schakelen. Vaak reageren deze patiënten niet of nauwelijks op pijnstillende of darmontspannende injecties. Een snelle beslissing om het koliekpaard door te sturen naar een kliniek kan levensreddend zijn. Als een afsnoering te lang bestaat, sterft er zoveel darmweefsel af dat de kansen op herstel nog kleiner worden.

Bij het vermoeden dat er een slag in de darm ligt, controleert de dierenarts of de maag niet op knappen staat. Als een darm afgesloten is hoopt al het opgenomen voedsel op in de (kleine) maag. Een paard kan namelijk niet overgeven. Bij erge overvulling kan de maagwand zelfs scheuren. Dergelijke dieren zijn verloren en moet men in laten slapen. Om dit te voorkomen brengt de dierenarts een neussonde in de maag om overtollige inhoud af te hevelen.

Een mildere vorm van een liggingsverandering is ‘entrapment’, ook wel Milt-Nierband genoemd. Een gedeelte van de dikke darm is namelijk over de verbindingband tussen de milt en de nier vast komen te liggen. Deze liggingsverandering herstelt vaak na laxeren of het paard te laten rollen onder verdoving. Lukt dit niet, dan kan een operatie uitkomst bieden. Andere voorbeelden van liggingsveranderingen zijn de lies-, zak- of navelbreuk. Een stukje darm zit dan ingesloten in een holte waar hij niet hoort. Ook kan een stuk darm in zichzelf gekeerd zijn zoals bijv. een mouw van een trui dat kan, dit noemen we invaginatie.

Bij valse koliek ligt de oorzaak buiten het maag-darmkanaal. Zo kunnen merries koliekverschijnselen hebben in de tweede helft van de dracht bij een draaiing van de baarmoeder. Hengsten met een draaiing van een testikel vertonen ook verschijnselen van koliek. Meestal is (eenzijdige) castratie de enige optie. In dit rijtje mag ook de slokdarmverstopping niet onbenoemd blijven. Het lijkt alsof het paard staat te kokhalzen en er komen slijm en voedseldeeltjes uit de neus. Normaal is een injectie met een darmontspanner, pijnstiller en sedatie afdoende. Een hardnekkige obstructie kan met een speciale neussonde doorgespoeld worden.

Operaties

Koliekoperaties kunnen in ons land maar in een paar gespecialiseerde klinieken worden uitgevoerd. Het zijn ingrijpende operaties met lange, moeizame perioden van herstel. Een paard is namelijk enorm gevoelig voor ontsteking in de buik als deze geopend wordt. Ook komt de darm niet altijd op gang na een operatieve ingreep (ileus). Bovendien moet een eigenaar rekening houden met een aanzienlijk kostenplaatje. Na een gemiddelde koliekoperatie zal de rekening al snel oplopen tot boven de 2000 €.Koliek operatie

Het succes van zo’n operatie is afhankelijk van veel omstandigheden. Soms moet een darm ‘alleen maar’ teruggelegd worden op z’n plaats of moet de inhoud uit de darm worden verwijderd. Vaak is het echter zo dat een afgestorven darmdeel eruit moet. Gelukkig zijn deze ingrijpende operaties met de huidige technieken steeds beter uitvoerbaar. Uiteraard blijven de algemene conditie van het paard, de tijd die verstreken is tussen het ontstaan van de koliek en de operatie en de soort koliek cruciaal voor de kans op volledig herstel.

Conclusie

Gelukkig loopt koliek niet altijd fataal af. Meestal is koliek zelfs heel makkelijk te behandelen. Toch blijft voorkomen beter dan genezen. Bij paarden die regelmatig last hebben van koliek is het nuttig het hele management na te gaan. Bedenk dat voer-, ent- en ontwormschema’s, huisvestiging, weidegang, stress en inspanning op elkaar afgestemd moeten worden om je paard of pony in topconditie te houden en problemen zoals koliek te voorkomen.

 

Keuren is maatwerk

Het belang van een aankoopkeuring


Het kopen van een nieuw paard of een nieuwe pony blijft een spannende gebeurtenis. Wekenlang worden internetsites en advertenties in vakbladen afgespeurd. De telefoonrekening is torenhoog van het nabellen en alle vrije weekenden zijn ingevuld met bezoekjes aan handelsstallen in verre uithoeken van het land. Je speurwerk wordt gelukkig beloond als je uiteindelijk jouw ideale viervoeter gevonden hebt. Het paard heeft de juiste maat, is braaf en wil voor je werken. Kortom; met dit paard zou jij nog jaren vooruit kunnen. Maar hoe krijg je nu de garantie dat dit paard zo gezond is dat hij inderdaad nog jaren mee gaat?

Veel risico sluit je uit door bij iedere aan- of verkoop het paard of de pony te laten keuren door een dierenarts. Dit voorkomt veel narigheid achteraf als blijkt dat het paard iets mankeert. In de emotie tijdens het kopen lijken veel kleine zaken namelijk onbelangrijker dan dat ze in werkelijkheid kunnen zijn.

Onderzoekprotocol

Nederlandse dierenartsen werken bij aankoopkeuringen volgens een standaard keuringsrapport. Het hierbij horende onderzoekprotocol wordt van voor naar achteren doorlopen. Na afloop van de keuring krijg je deze ingevuld mee naar huis. De eerste ruimte op het keuringsrapport is gereserveerd voor de gegevens van de eigenaar of de koper. Voor de keuring begint is het voor de dierenarts belangrijk te weten wie de kopende partij is en wie de verkopende partij. Een van deze partijen is de opdrachtgever. De opdrachtgever is verantwoordelijk voor de betaling van de keuring. Normaal kun je er van uit gaan dat de koper de keuring betaald als de koop doorgaat. En omgekeerd; als er tijdens de keuring afwijkingen aan het licht komen waardoor de deal niet kan doorgaan, dan betaald de verkoper. Af en toe worden er andere afspraken gemaakt. Zorg dat hierover voor het begin van de keuring duidelijkheid is bij alle partijen.

Ook moet de keurende dierenarts weten wat het gebruiksdoel is van het te keuren paard. Een paard dat in de sport moet presteren, wordt anders beoordeeld dan een paard dat ingezet wordt voor de fokkerij. Het geeft duidelijkheid als van beide partijen iemand aanwezig is. Dan is het eenvoudig een duidelijk beeld te schetsen over de geschiedenis van het paard en over de toekomstverwachtingen.
Longeren als onderdeel van de keuring
Allereerst vindt controle plaats van de gegevens in het paspoort. Uiteraard moeten aftekeningen, leeftijd en het transpondernummer overeenkomen met die van het paard. Ook kijkt de dierenarts of de entingen correct staan ingevuld. Pas dan begint de eigenlijke klinische keuring. De dierenarts loopt eerst om het paard heen om een idee te krijgen van de algemene indruk. Hoe is de voedingstoestand? Is het paard links en rechts evenredig ontwikkeld? Hoe zit het paard in de haren? Hoe is de stand van de benen of zijn er andere typische afwijkingen?

Vervolgens is de mond aan de beurt. Er wordt gekeken naar de kleur van het slijmvlies en eventuele afwijkingen aan het gebit die zo zichtbaar zijn. Alleen bij twijfels wordt een mondsperder ingedaan om verder onderzoek te doen. Op deze manier kan de hele mond tot en met de achterste kiezen een extra inspectiebeurt krijgen. Ook de ogen worden gecontroleerd, evenals de klieren in de nek en keelregio. Om een hoestreflex op te wekken zet de dierenarts korte druk op de keel. Paarden die geen last hebben van de bovenste luchtwegen zullen hierop niet reageren.

Met de stethoscoop wordt naar het hart en de ademhaling geluisterd. De dierenarts luistert eerst een keer bij het paard in rust. Later als het paard aan de longe aan het werk gezet is, geschiedt dit nogmaals. Uiteraard moeten hartslag en ademhaling regelmatig klinken en mag geen bijgeruis hoorbaar zijn.

Door het betasten van rug en hals wordt naar afwijkingen of gevoelige plaatsen gezocht. Bij de staart wordt de staarttonus gecontroleerd. Een slap hangende staart gaat namelijk vaak samen met coördinatiestoornissen in de achterhand, beter bekend als ataxie. Een slappe staart vraagt om extra onderzoek om de coördinatie te testen.

Beenwerk

Tenslotte komt het bewegingsapparaat aan bod. Alle benen worden zorgvuldig afgetast, waarbij vooral gelet wordt op zwellingen, gewrichtsovervulling, pijnlijke plekken en knobbeltjes. Dit geldt ook voor de hoeven en de zool. Dan gaat het paard naar buiten om de beweging te inspecteren. Op een harde bodem inspecteert de dierenarts eerst de stap. Daarna de draf op rechte lijn en links- en rechtsom op de volte.

Paarden lopen soms heel voorzichtig als ze voor het eerst op een harde ondergrond bewegen. Voor een verkoper is het aan te raden dit vooraf thuis al een keer te oefenen. Door te draven aan de hand en het paard al een keer een volte te laten lopen op harde ondergrond krijgt hij bovendien meer informatie over het bewegingsapparaat. Dit voorkomt onplezierige verrassingen tijdens de klinische keuring. Problemen aan het bewegingsapparaat zijn namelijk de meest voorkomende oorzaak van een negatief aankoopadvies. Ook is het af te raden vlak voor de keuring bij de hoefsmid langs te gaan. Het kan zijn dat het paard een paar dagen gevoelig loopt vlak na het bekappen of met een nieuw beslag.

Buigproef

Bij het uitvoeren van de buigproeven zet de dierenarts een gewricht met de bijbehorende banden en pezen gedurende een minuut onder spanning. Als het paard vervolgens weg draaft mag deze hooguit een paar passen wat onregelmatig lopen. Zowel de voor als achterbenen worden via het zelfde principe gebogen. Voor het uitvoeren en interpreteren van de buigproeven is ervaring vereist. De dierenarts zal dit zoveel mogelijk onder standaard omstandigheden uitvoeren om een objectief beeld te krijgen. Soms zijn gewrichten bij het aanspannen al pijnlijk. Deze paarden staan bij het aanspannen slecht stil of komen zelfs volledig in verzet. Om discussie achteraf te voorkomen is registratie van alle afwijkingen op het onderzoekprotocol noodzaak.

Na de buigproeven worden de paarden in het zand aan het werk gezet. Aan de longe bekijkt de dierenarts ze op zowel de linkerhand als de rechterhand in draf en in galop. Naast het beoordelen van de beweging hebben eventuele bijgeluiden ook de aandacht. Paarden met een afwijking aan de stembanden (cornage) maken vooral tijdens inspanning een hoorbaar geluid. Alleen bij twijfel over cornage is aanvullend onderzoek noodzakelijk. In die gevallen wordt met een laryngoscoop in de keel gekeken naar de symmetrie en de beweeglijkheid van de stembanden. Na het werk aan de longe gebruikt de dierenarts voor de tweede keer de stethoscoop om hart en longen nogmaals te controleren. Dit is in principe het laatste onderdeel van de klinische keuring.

Röntgenologische keuring

Hierna kan een eventuele röntgenologische keuring nog meer zekerheid bieden. Bij aankoop van duurdere sportpaarden of bij aanmelding bij een verzekeringsmaatschappij maakt dit vaak deel uit van de standaardprocedure. Daarom is hiervoor op het keuringsprotocol standaard ruimte gereserveerd. In Nederland bestaat een standaard röntgenologisch onderzoek uit 18 foto’s. De beoordeling geschiedt volgens een officieel beoordelingsschema. Hierbij worden zowel het straalbeen, de sesambeenderen en het kootgewricht van het voorbeen als het spronggewricht ingedeeld in verschillende kwaliteitsklassen. De klassen 1 (goed) en 2 (voldoende) worden als acceptabel beschouwd. Een klasse 3 geeft een verhoogd risico voor de toekomst en een klasse 4 is onacceptabel.

Voor alle gewrichten, maar speciaal de knie, de sprong en het kogelgewricht geldt dat ze vrij moeten zijn van vormveranderingen en losse fragmentjes (OCD). Waarbij opgemerkt: niet alle losse fragmenten geven direct aanleiding tot een negatief aankoopadvies. In overleg met verkoper en koper maakt de dierenarts een inschatting van het te verwachten risico voor de toekomst. Losse fragmenten die op een gunstige plaats liggen en niet te groot zijn kunnen bijvoorbeeld operatief verwijderd worden. Gebeurt dit in een vroeg stadium, waarin gewrichten nog niet zwaar belast zijn, dan hoeft het paard hier uiteindelijk geen hinder van te ondervinden.

Conclusie

Als alle onderzoeken gedaan zijn zet de dierenarts de conclusie op het keuringsformulier. Vroeger sprak men in dit geval nogal eens van goedkeuren of afkeuren. Tegenwoordig spreekt men over aankoopadviezen. Een positief of negatief aankoopadvies op basis van de bevindingen tijdens het onderzoek. Dit is vaak geen zwart – wit verhaal. Iedere keuring is maatwerk. Eventuele nevenbevindingen en de risico’s hiervan voor de toekomst worden zorgvuldig afgewogen en besproken met koper en verkoper. Waarbij alles op het onderzoeksprotocol genoteerd wordt.

Na afloop van de keuring heeft de koper meer zekerheid over de gezondheid van de nieuwe aankoop. Bij aankoop van een paard of pony is het verstandig minimaal een klinische keuring uit te laten voeren. Dit voorkomt teleurstellingen in de toekomst. Bedenk wel dat een keuring ook maar een momentopname blijft. Omdat we hier over gezondheid praten, is een garantie natuurlijk nooit af te geven. Wel kan een ervaren dierenarts een prognose geven over de eventuele risico’s op termijn.

 

Rhinopneumonie en EVA

 

 

Rhinopneumonie

Even geleden besprak In de Strengen de noodzaak van vaccineren, met name het vaccineren van fokmerries en veulens. Uitvoerig werd ingegaan op de vaccinatie tegen het influenza virus en tetanus. Een andere besmettelijke ziekte waartegen gevaccineerd kan worden is Rhinopneumonie; de schrik van iedere fokker. Rhinopneumonie is in Nederland namelijk een van de belangrijkste oorzaken van abortus bij de merrie. Dit artikel geeft meer inzicht in de verschillende vormen van dit veelbesproken virus en de mogelijkheden tot vaccineren hier tegen.

Herpes

Rhinopneumonie behoort tot de groep van de herpes virussen. Een bijzondere eigenschap van virussen uit deze groep is dat het mens en dier kan infecteren, zonder dat deze direct ziek worden. Een bekend voorbeeld bij de mens is de koortslip die Herpes veroorzaakt. Na besmetting ontstaat bij sommige mensen meteen een koortslip, terwijl deze bij anderen pas veel later tot uiting komt. Herpes virussen houden zich in het lichaam schuil. Het lichaam maakt wel antistoffen aan, maar niet genoeg om het virus geheel te bestrijden. Het lichaam blijft dus drager. De koortslip komt terug op momenten dat de weerstand van het lichaam lager is door ziekte, vermoeidheid of een slechte conditie. Onthoudt goed dat ook dragers die zelf niet ziek zijn wel anderen kunnen besmetten!

Bij het paard gaat dat net zo. Een Herpes virus kan zich in het lichaam schuil houden en veel later alsnog toeslaan als het paard stress heeft of zich wat minder voelt. Rhinopneumonie infecties zien we bijvoorbeeld vooral in het najaar en winter. Door de wisselende weersomstandigheden staat de afweer regelmatig onder druk. Een bijkomend nadeel is dat alle paarden weer bij elkaar op stal komen. Veel paarden in een relatief kleine ruimte zorgen voor een hoge infectiedruk. Dit zijn ideale omstandigheden voor een virus om van het ene naar het andere paard over te gaan.

Het klassieke voorbeeld van een Rhinopneumonie infectie is de situatie thuis bij een fokker die in het najaar de jaarlingen op stal haalt. De jaarlingen hebben nog geen weerstand tegen het Rhinopneumonie virus en worden besmet door de andere paarden die niet ziek, maar wel drager van dit virus zijn. Als de jaarlingen ziek worden, stijgt de infectiedruk op stal. Doordat er zoveel virus vrijkomt in de omgeving, worden ook paarden ziek die wel afweerstoffen hebben. Het is dus een ‘must’ jonge paarden te scheiden van de rest van de groep en in ieder geval nooit op stal te zetten bij dragende merries!

Besmettelijkheid

Herpesvirussen zijn redelijk besmettelijk. Het is niet zo dat ze vele kilometers met de wind meegevoerd kunnen worden zoals dat het geval is met het mond- en klauwzeervirus. Aangenomen wordt dat er bij een afstand van een paar meter al geen overbrenging meer mogelijk is. Herpes verspreidt zich door direct en indirect contact. In geval van besmetting is direct contact tussen paarden makkelijk te voorkomen. In theorie zou het dus voldoende zijn om jonge paarden toch op het zelfde bedrijf te plaatsen, maar wel in een andere stal. Moeilijker is het echter met indirect contact. Snot van een besmet paard en vruchtwater van een door rhinopeumonie aborterende merrie bevat grote hoeveelheden virusdeeltjes. Deze kunnen via schoenen, kleding, kruiwagens en voerscheppen naar andere paarden overgebracht worden. Zorg daarom voor de gepast hygiëne.

De symptomen

Rhinopneumonie heeft drie verschijningsvormen. De ademhalings- of verkoudheidsvorm, de abortusvorm en de neurologische (verlammings) vorm.

De ademhalings- of verkoudheidsvorm is de meest voorkomende vorm. Deze veroorzaakt net als influenza een infectie van de voorste luchtwegen, met koorts, algemeen ziek zijn en eventueel dikke benen. Zieke dieren hebben koortspieken tot 41 °C. De lymfeklieren zijn gezwollen, maar het is zeker niet zo dat het hele keel- en kaakgebied gezwollen is zoals bij droes. Het dier hoest, heeft snot en de ogen kunnen tranen. Meestal is de infectie mild en wordt nauwelijks opgemerkt. Soms ‘gaat er een verkoudheid door de stal’. Dit gaat na enkele weken weer over, tenzij als complicatie een longontsteking ontstaat. Verder is het natuurlijk wel zo dat de algemene weerstand beduidend minder is bij paarden die ziek zijn. Paarden geïnfecteerd met het Rhinopneumonie virus zijn daarom veel gevoeliger om secundair geïnfecteerd te worden door bacteriën. Bacteriën veroorzaken groen-gele neusvloeiing. Een bekend voorbeeld hiervan is de droesbacterie Streptococcus Equi.
 
De neurologische vorm zorgt voor het afsterven van zenuwvezels in het ruggenmerg. Zo ontstaat verlamming van de achterhand; ataxie. In sommige gevallen heeft deze infectie een mild, voorbijgaand verloop. De ataxie kan na een goede verzorging weer min of meer herstellen. In andere gevallen zakt de patiënt volledig door de benen en kan niet meer mesten. Deze paarden zijn niet meer te redden. Deze vorm van Rhinopneumonie kwam onlangs uitvoerig in het nieuws toen er een uitbraak was op een manege in Santpoort-Noord. Daar moest een pony worden ingeslapen ten gevolge van een rhino infectie. Abortus als gevolg van Rhinopneumonie

Tenslotte is er de abortusvorm. Deze kan bij drachtige merries het ongeboren veulen in de baarmoeder infecteren. Meestal veroorzaakt dit abortus. Wanneer een merrie tegen het einde van de dracht geïnfecteerd wordt, kan het veulen nog levend ter wereld komen.  Deze veulens hebben echter al ernstige schade opgelopen en bezwijken gewoonlijk in de eerste uren tot dagen van hun leven. De merrie verwerpt pas een aantal maanden na het doormaken van de infectie, maar het aborteren is na infectie niet te  voorkomen. Het blijft vaak bij één of enkele merries per bedrijf, soms verwerpt echter meer dan 50% van de fokmerries. In de geaborteerde vrucht kan het virus vaak, maar lang niet altijd aangetoond worden. Het geaborteerde materiaal is uiterst besmettelijk en moet zorgvuldig opgeruimd worden.

Diagnose

De diagnose is met alleen de klinische verschijnselen niet te stellen. Meer zekerheid krijg je door neusswabs of bloedmonsters te nemen om antilichamen aan te tonen. Bloedafname dient tweemalig te gebeuren met ongeveer 3 weken tussentijd. Er wordt dan gekeken naar een verschil in antilichamen, zodat met zekerheid kan worden aangenomen wat de achterliggende oorzaak is geweest. Bij een abortus heeft het alleen zin om de verworpen vrucht en nageboorte te laten onderzoeken. Rhinopneumonie geeft dan een karakteristiek beeld.

Vaccinatie en preventie

Er is veel discussie over wel of niet vaccineren van paarden ter bescherming van Rhinopneumonie. Op de markt zijn verschillende entstoffen verkrijgbaar. Door vaccinatie treedt bescherming op, maar deze is onvolledig en moet in de praktijk om de aantal maanden worden herhaald. Vaccinatie zorgt er in ieder geval wel voor dat dieren minder ziek worden en de uitscheiding van virus door zieke dieren wordt verkort. Uiteindelijk blijft hierdoor de infectiedruk binnen een bedrijf lager, waardoor de kans groot is dat niet alle paarden ziek worden.

Vaccinatie tegen de ademhalingsvorm is redelijk betrouwbaar, maar moet na een degelijke basisenting minimaal 2 keer per jaar herhaald worden. Dit is genoeg om verkoudheden veroorzaakt door dit virus voor een groot deel te voorkomen. Tegen de neurologische vorm is enten niet effectief. Belangrijk is dat de enting altijd als groepsenting wordt gegeven. Dus alle paarden op stal moeten tegelijk geënt worden. Het enten van 1 paard in een groep paarden die niet geënt worden tegen de Rhinopneumonie lijkt niet zinvol.

Drachtige merries en jonge paarden

Bij drachtige merrie wordt geadviseerd om te enten in de 3e, 5e, 7e en 9e maand van de drachtigheid. Hiervoor is de beste keus om een vaccin te kiezen dat speciaal voor drachtige merries is geregistreerd. Naast de bescherming tijdens de dracht, bevat ook de biest een grote hoeveelheid antistoffen die het veulen zullen beschermen. Verder is het aan te raden om de drachtige merrie zo min mogelijk in contact te laten komen met andere paarden en stress te vermijden.

Jonge paarden zijn het meest kwetsbaar om een Herpes infectie door te maken. De best mogelijke immunisatie strategie is gebaseerd op het vaccineren van de jonge paarden. Tot een leeftijd van ongeveer 6 maanden zijn ze nog beschermd door antistoffen uit de biest, daarna biedt een degelijke basisvaccinatie bescherming tegen Rhinopneumonie. Geef de eerste enting op 6 -7 maanden leeftijd, de tweede enting volgt 4-6 weken na de eerste enting. Een derde enting volgt 3 maanden later. Daarna is iedere 3 tot 6 maanden hervaccinatie noodzakelijk.

Mocht het ondanks alle voorzorgsmaatregelen toch tot een uitbraak komen, is het verstandig alle contact met andere paarden te vermijden om indirecte besmetting te voorkomen. Het is nooit te laat om een geïnfecteerd paard te isoleren. Mogelijk voorkom je hiermee grootschalige uitbraken omdat EHV zich slechts over korte afstand verplaatst. Bedenk dat paarden vooral tijdens een koortspiek veel virus uitscheiden. Reinig in ieder geval de stal en omgeving. Neem ook al het stof af en desinfecteer met een antiviraal middel zoals chloor of Halamid®.

Conclusie

Vaccinatie tegen Rhinopneumonie is alleen zinvol als alle paarden op stal gevaccineerd worden. Vaccinatie gecombineerd met een zorgvuldig stalmanagement geven dan een goede bescherming, ook voor u drachtige merrie.

 

 

 

 

Equine virus arteritis (EVA)

Equine virus arteritis is een virale infectie bij het paard, veroorzaakt door het Equine arteritis virus (EAV). Omdat EVA in Nederland geen grote rol speelt als klinisch probleem is de ziekte niet echt bekend. Toch bezorgt EVA hengstenhouders en handelaren enorme kopzorgen omdat EVA wel van belang is bij export van paarden en sperma naar bepaalde landen. Paarden die positief zijn op EVA mogen niet in de Europese Unie worden geïmporteerd en ook sperma bestemd voor de export mag geen EVA virus bevatten. De directe aanleiding voor dit artikel is de wens van de leden van de WBFSH om te komen tot een harmonisering in de regelgeving voor wat betreft preventieve mogelijkheden en testprocedures rondom EVA.  

 

De ziekte

Eerst even een korte beschrijving van de ziekte en het belang ervan voor de Nederlandse situatie. Het is een van die virussen die bij tijd en wijle door een stal gaan. De ziekteverschijnselen zijn over het algemeen weinig specifiek en meestal niet ernstig. Vaak zien we dat een aantal paarden wat slechter eten, koortsig zijn en dikke benen hebben, meestal aan de achterhand. Eventueel gaat dit gepaard met sloomheid, verminderde eetlust, neusuitvloeiing, of wat ooguitvloeiing en zwelling (oedeem) van de oogleden (“pink eye”). Soms zien we bij EVA ook oedeem van het scrotum, het uier, de buikwand en haverbultjes in de huid. Maar meestal maken paarden de infectie door zonder zelf ziek te worden.

 

Voor de fokkers is EVA van belang omdat geïnfecteerde drachtige merries kunnen aborteren. Deze abortus vindt plaats zeer korte tijd na het begin van de infectie. Indien de infectie op het eind van de dracht optreedt kan het veulen levend en geïnfecteerd ter wereld komen, deze veulens zijn vaak zwak en kunnen snel sterven.

 

Niet alle dieren zijn even gevoelig, jonge dieren en oudere paarden zijn gevoeliger. In Nederland wordt bij circa 25-30% van de paarden antistoffen gevonden. Dit percentage lijkt de laatste jaren snel te stijgen en varieert nogal tussen diverse populaties. Het is onder andere afhankelijk van de contacten met andere paarden zoals bijvoorbeeld op wedstrijden en keuringen.

 

De ziekte komt wereldwijd voor en wordt overgedragen door direct contact tussen gevoelige dieren en dieren die een acute infectie doormaken. Besmetting gaat hoofdzakelijk via de ademhalingorganen, maar ook in urine kan veel virus gevonden worden. Merries en ruinen blijven na infectie slechts zo’n 3 weken virus uitscheiden.

Maar bij hengsten kan het virus in de geslachtsklieren aanwezig blijven. Ze kunnen dan gedurende langere periodes (variërend van 2-5 weken tot zelfs meerdere jaren) het virus via hun sperma uitscheiden. Deze uitscheiding staat onder invloed van het mannelijke geslachtshormoon testosteron. Deze hengsten blijven symptoomloze dragers en scheiden geen virus uit via andere routes. De kans dat hengsten die voor de puberteit besmet worden later virusuitscheider worden is zeer klein.

Paarden die een infectie hebben doorgemaakt blijven serologisch te traceren en hebben een goede immuniteit tegen nieuwe infecties met EVA.

 

Echte uitbraken van EVA worden niet zo vaak beschreven en worden alleen gezien in populaties waar het virus tot dan toe niet aanwezig was. In deze gevoelige populaties vindt introductie van het virus veelal plaats via een symptoomloze drager hengst of via KI met besmet sperma. De symptomen zijn dan wat duidelijker en meer dieren zullen worden getroffen, ook de abortus is dan meer opvallend.

 

EVA heeft geen direct effect op de vruchtbaarheid. Echter een merrie kan wel algemeen ziek worden na inseminatie met besmet sperma en daardoor niet opnemen. Een volgende cyclus kan ze gewoon opnemen. Merries die op deze manier besmet raken, maken de infectie door en scheiden zoals al gezegd maar korte tijd virus uit, zij zullen hun eigen veulen niet besmetten.

 

EU stations

Het virus kan ook worden overgedragen via KI met vers- en diepvriessperma.

Hierdoor kan verspreiding naar seronegatieve (gevoelige) dieren over grote afstand plaats vinden. In EU verband worden er eisen gesteld aan sperma voor wat betreft EVA. Daarom wordt van alle hengsten op EU stations waarvan sperma wordt geëxporteerd, maandelijks de EVA status gecontroleerd middels bloed- en/of spermaonderzoek. Deze hengsten dienen tevens minimaal 30 dagen voor de spermavangst in quarantaine te worden gehuisvest en mogen in die periode uiteraard ook niet natuurlijk dekken.

 

Preventie en behandeling

Om de verspreiding van EVA te verminderen is het mogelijk om te vaccineren. Dit is een zeer effectieve manier om een populatie te beschermen. In Nederland is dit echter niet toegestaan. Je zou merries voorafgaand aan een dekking kunnen vaccineren, of potentiële dekhengsten zouden al op jonge leeftijd geënt kunnen worden zodat ze niet geïnfecteerd raken. Nadeel van vaccinatie is dat bij bloedonderzoek geen onderscheid gemaakt kan worden tussen gevaccineerde en geïnfecteerde dieren. Daardoor kan het belemmerend werken ten aanzien van export naar bepaalde landen en is vaccinatie niet toegestaan in Nederland.

 

Er is inmiddels ook wat ervaring opgedaan met het behandelen van virusuitscheiders. Zoals gezegd staat virusuitscheiding onder invloed van testosteron. Remming van de testosteronproduktie (het meest effectief is uiteraard een castratie!) kan met een immunisering tegen de testosteronstimulerende hypofysehormonen (GnRH). Paarden die op deze manier behandeld worden stoppen met virusuitscheiding na zo’n 4-6 maanden. Deze therapie lijkt veelbelovend maar is nog niet op grote schaal geprobeerd.

 

Exportonderzoek.

Bij het officiële exportonderzoek van levende dieren en sperma wordt gebruik gemaakt van laboratoriumtesten op antistoffen in het bloed, de zogenaamde virusneutralisatietest en virologisch onderzoek om EAV virusdeeltjes aan te tonen in sperma. De wereld gezondheidsdienst voor dierziekten, de OIE, heeft de criteria waaraan de testen moeten voldoen in een handleiding omschreven. Desondanks zijn er een aantal factoren die de uitkomst van deze testen kunnen beïnvloeden. Daardoor stemmen de resultaten niet altijd met elkaar overeenstemmen of zijn ze niet goed te interpreteren.

 

In Nederland is het CIDC in Lelystad verantwoordelijk voor de EVA-testen. Voor officiële exportonderzoeken gebruikt het CIDC een door het referentielaboratorium voor EVA in Weybridge (GB) geaccrediteerde test. In sommige buitenlandse laboratoria gebruikt men soms andere methodes voor het onderzoek. Daardoor kunnen er afwijkende uitslagen gevonden worden met alle gevolgen van dien. Het kan dus zijn dat een hengst in Nederland negatief test, terwijl in het buitenland wel EVA wordt gevonden. Daarnaast ziet men bij bepaalde dieren een beïnvloeding van de testresultaten die mogelijk verband houdt met antilichamen in het bloed door vaccinaties en/of infecties met andere virussen. Voor deze groep is het soms niet mogelijk om iets te zeggen over de EVA status.

Daarom wordt er gezocht naar mogelijkheden om de methodes te standaardiseren en te harmoniseren of betere testen te ontwikkelen. Hiermee komt men hopelijk in de toekomst met het transport van paarden en/of sperma niet langer voor verrassingen te staan.

 

Kader:

Dit artikel kwam mede tot stand met medewerking van Dr. Hans Kramps van het CIDC-Lelystad afdeling virologie.